Etty Hillesum Centrum
Home

Nederlands - nl-NLEnglish (United Kingdom)Deutsch (DE-CH-AT)French (Fr)
Etty en Hilversum
There are no translations available.

manja pachdoor Manja Pach (zie foto)

 

Wat hebben Etty Hillesum, Catharina van Rennes en Henriëtte Roland Holst met elkaar gemeen?

Zonder twijfel waren het alledrie sterke, onconventionele vrouwen, maar er is meer: deze drie vrouwen hebben alledrie kortere of langere tijd in Hilversum gewoond of gewerkt.

In het Raadhuis (nu Museum Hilversum) op de Kerkbrink in Hilversum trouwden op 16 januari 1896 de sociaal bewogen dichteres Henriëtte van der Schalk en de beeldend kunstenaar Richard (Rik) Roland Holst. Niet ver daarvandaan op de Kerkbrink stond vroeger het schooltje waarin zangeres, dirigente, zangpedagoge en componiste Catharina van Rennes (1858-1940) zangles gaf. Op enige afstand van dit oude centrum, aan de Albertus Perklaan 121 in de karakteristieke Boombergwijk, woonden van 1914 tot 1916 vader en moeder Hillesum, met hun baby Etty.

Door het aanbrengen van gedenkplaten op het gebouw van het Raadhuis en op het woonhuis van de familie Hillesum heeft Zontaclub ’t Gooi deze vrouwen willen eren. Ook aan de villa waar de ‘Prins der Nederlandse dichter’ Adriaan Roland Holst, een neef van Rik, tijdens zijn schooljaren woonde, aan de Lindenheuvel 3, is een gedenkplaat aangebracht.

De plechtige onthulling van deze gedenkplaten vond plaats op 16 september jl. omlijst door een litterair-cultureel programma. Het was vermakelijk een 30-tal dames op de stoep van het Raadhuis ‘drie kleine kleutertjes’, de ongetwijfeld meest bekende, compositie van Catharina van Rennes te horen zingen. Daarvoor had Els Jimkes-Verkade in de trouwzaal al met veel gevoel de tekst van ’de Internationale’ voorgedragen – het strijdlied dat Henriëtte Roland Holst uit het Frans vertaalde.

Het was een eer voor mij om bij het huis van de familie Hillesum een paar woorden te spreken en het bord in de tuin plechtig te onthullen. Mooi initiatief van de Gooise Zonta’s! Misschien een idee om ook aan het woonhuis van de familie Hillesum in Deventer een bordje aan te (laten) brengen?

 

De toespraak van Manja Pach ter gelegenheid van de onthulling van de plaquette aan het woonhuis van de familie Hillesum in Hilversum:

 

‘Ik zou lang willen leven, om het later toch nog eens te kunnen uitleggen en als me dat niet vergund is, welnu, dan zal een ander het doen en dan zal een ander mijn leven verder leven daar waar het mijne is afgebroken en daarom moet ik het zo goed en zo volledig mogelijk leven tot de laatste ademtocht, zodat diegene die na mij komt niet helemaal opnieuw hoeft te beginnen en het niet meer zo moeilijk heeft’.

Dat schreef Etty Hillesum in haar dagboek op 3 juli 1942, op de dag waarop de duitse bezetter een begin maakte met de systematische vernietiging van de Joden in Nederland.

Etty Hillesum was een jonge joodse vrouw, op dat moment 28 jaar oud. Zij had in Amsterdam rechten gestudeerd. Daarna volgde zij een studie Slavische Talen, Russisch was de taal van haar moeder Riva Bernstein.

Etty’s vader, Levy (Louis) was classicus. Hij gaf les, maar door zijn verstrooide aard, doofheid en slechte gezichtsvermogen had hij veel moeite met orde houden. Daardoor verhuisde het gezin nog al eens. Etty werd in 1914 in Middelburg geboren.

Daarna woonde het gezin enkele jaren (van 1914-1918) hier in Hilversum. Daarna woonden ze nog in Tiel en in Winschoten en tenslotte in Deventer.

Van 1924 tot 1940 was vader Hillesum eerst leraar en later rector aan het Stedelijk Gymnasium in Deventer. Etty kreeg nog twee jongere broers, Jaap en Mischa.

Toen ze 27 jaar was begon Etty Hillesum een dagboek bij te houden.

Dat deed ze op aandringen van haar therapeut, Julius Spier, een uit Duitsland gevluchte Jood, voormalig succesvol bankier, leerling van Jung en beroemd als handleeskundige. Door Spier, en vooral mèt Spier, maakt Etty vanaf maart 1941 een snelle ontwikkeling door naar innerlijke zekerheid, inzicht en medemenselijkheid.

In het begin van haar dagboek komen haar schrijfsels soms nog wat puberaal over, maar gaandeweg raak je geboeid door wat ze lichamelijk en geestelijk doorleeft en hoe ze dat beschrijft.

Etty Hillesum was zeer begaafd, zij had journalistieke en litteraire aspiraties, maar ze beschrijft in haar dagboeken ook hoe moeilijk zij het met zichzelf heeft. Etty Hillesum was ook een hartstochtelijke vrouw.

Zij en haar huisbaas, de weduwnaar Han Wegerif, leefden als man en vrouw. Tegelijkertijd had zij andere relaties en waren er verliefdheden op andere mannen en ook vrouwen. In haar dagboek schrijft ze soms adembenemend indringend over haar liefde voor en haar relatie met haar therapeut Julius Spier.

Tenslotte, als de tijden veranderen en het net van haat en vervolging zich ook om haar sluit, schrijft ze zich een haast lijfelijke verhouding met de in 1926 overleden duitse dichter Rainer Maria Rilke. Over hem zegt ze dat hij ‘een van de belangrijkste opvoeders van haar laatste jaar’ is geweest.

En dat beleeft ze allemaal in een tijd, waarin onmenselijkheid, ellende en vernietiging overal om haar heen speurbaar zijn. Ze weet, dat de Duitsers ook op háár vernietiging uit zijn. Toch schrijft ze: ‘Het leven en het sterven, het lijden en de vreugde, de blaren aan mijn kapotgelopen voeten en de jasmijn achter mijn tuin, de vervolgingen, de talloze zinneloze wreedheden, alles en alles is in me als één krachtig geheel en ik aanvaard alles als één geheel…’

Want, zo zou je kunnen zeggen, Etty Hillesum heeft ontdekt en ervaren, dat midden in dat gewirwar van alles er een centrum is, een kern, als het stille oog midden in een orkaan, God, ziel, haar eigen zelf. Anderen kunnen de buitenkant vernietigen, maar haar wezen blijft onaangetast.

Net als alle andere Nederlandse joden moest ook Etty Hillesum zich in juni 1943 melden in het doorgangskamp Westerbork. Ze was daar al eerder geweest als medewerkster van de Joodse Raad. Maar door ziekte en door de dood van haar therapeut en lover Spier in september 1942, was ze er steeds maar kort geweest. Onderduiken of vluchten wilde ze niet. Dan zouden anderen in haar plaats worden gedeporteerd. Ze wilde ook bij haar familie en haar volk blijven, geen uitzonderingspositie innemen, het lot delen van al die andere machteloze en vaak zeer arme mede-Joden.

Haar ouders waren inmiddels ook uit Deventer verdreven naar Amsterdam en daar wat later opgepakt bij een razzia en overgebracht naar Westerbork.

Kort na de dood van Spier schrijft ze haar laatste woorden in haar dagboek: ‘Men zou een pleister op vele wonden willen zijn’.

Vanuit Amsterdam en later Westerbork schrijft ze nog vele tientallen brieven en briefjes aan vrienden en bekenden. Tot zij, met haar ouders en jongste broer, in de nacht van 6 op 7 september 1943, wordt weggevoerd naar het Oosten, naar het vernietigingskamp Auschwitz. Vermoedelijk zijn haar ouders onderweg al aan de ontberingen gestorven. Etty zelf heeft nog bijna drie harde maanden in het kamp geleefd. Volgens het Rode Kruis is zij op 30 november 1943 omgekomen.

Intussen was in oktober in Nederland al een illegale uitgave verschenen van twee van haar brieven uit Westerbork. Daarin weet ze als geen ander de waanzin van de deportaties en de massavernietiging te beschrijven.

De dagboeken en de meeste brieven van Etty Hillesum zijn pas sinds 1981 uitgebracht. Vóór die tijd was er onvoldoende belangstelling voor. Nu wel, over de hele wereld, van Duitsland tot Amerika, van Hongarije tot Japan. Mensen voelen zich erdoor gesterkt en getroost. Ze leren er uit. Zeker in de tijd waarin we nu leven, bieden haar woorden veel stof tot overdenken.

Zo schrijft ze al vrijwel in het begin van haar dagboek op 15 maart 1941:

‘Het grote probleem van onze tijd is die vreselijke haat tegen de Duitsers, die het eigen gemoed vergiftigt. Laat ze allemaal verzuipen, tuig is het, vergassen moet je ze, deze uitingen behoren tot de dagelijkse conversatie en geven iemand vaak het gevoel dat het niet meer mogelijk is in deze tijd te leven. En toch: al zou er nog maar één fatsoenlijke Duitser bestaan, dan zou die het waard zijn in bescherming genomen te worden tegen de hele barbaarse bende en om die éne fatsoenlijke Duitser zou men dan niet zijn haat mogen uitgieten over een geheel volk. Dit betekent echter niet dat men halfzacht moet staan tegenover bepaalde stromingen, je moet stelling nemen, men is op gezette tijden verontwaardigd over bepaalde dingen, men tracht inzicht te krijgen; maar die ongedifferentieerde haat is het ergste wat er is. Dat is een ziekte van de eigen ziel. En zou ik in deze tijd zo ver komen, dat ik ging haten, dan zou ik geblesseerd zijn in mijn ziel en dan zou ik zo gauw mogelijk genezing moeten zien te vinden’.

Op vrijdag 3 juli 1942 schrijft ze:

‘We dragen alles in ons, en de omstandigheden zijn toch niet doorslaggevend, nooit, omdat er altijd omstandigheden zullen zijn, goede en slechte, en het feìt van de omstandigheden moet je aanvaarden, wat niet belemmert dat je je leven eraan kunt wijden de slechte omstandigheden te verbeteren’.

Dat zijn fatsoenlijke en menselijke gedachten, ook voor onze tijd, waarin haat, angst, macht, bezit en oppervlakkigheid belangrijker schijnen dan liefde, innerlijke zekerheid, aandacht en respect.

En daarom is het zo waardevol dat Zonta ’t Gooi deze plaquette heeft laten aanbrengen ter herinnering aan deze bijzondere vrouw.

Deel deze pagina
 
There are no translations available.

meldpunt discriminatie
Joodse Wandeling - Het verstoorde leven

shalomsalaam

boedistischemeditatie

De Barst - confrontaties over verzet, vrijheid en verdraagzaamheid

meldpunt discriminatie

Jewish Tour

Sjalom Salaam

Meditation

De Barst

Slide me

Twitter