Etty Hillesum

Van Etty zijn vele citaten bekend. Veertig hiervan staan hier in chronologische volgorde opgesomd.

We geven ze graag aan u mee. Kennis is macht, maar alleen wijsheid is vrijheid.
(Klicken Sie hier bitte für die Deutsche Übersetzung)

 

1.  15 maart 1941:

En al zou er nog maar één fatsoenlijke Duitser bestaan, dan zou die het waard zijn in bescherming genomen te worden tegen de hele barbaarse bende en om die éne fatsoenlijke Duitser zou men dan niet zijn haat mogen uitgieten over een geheel volk.


2.  15 maart 1941:

Kennis is macht, maar alleen wijsheid is vrijheid.


3.  19 juni 1941:

Waar het om gaat is van het kleine ik los te komen, naar het werk, naar de andere mensen. Ik ben weer eens hoogst ontevreden over je. Je bedrijft weer te veel luxe met je ziel. Je hebt jezelf weer niet onder discipline.


4.  5 oktober 1941:

Je moet meer leren vertrouwen op je eigen ervaringen en waarnemingen en intuïtie en niet denken, dat je alles uit de boeken moet halen.


5.  7 oktober 1941:

Ontwikkeling rekent niet met tijd.


6.  21 oktober 1941:

Mijn studeren is ook eigenlijk niet het verzamelen van kennis, maar het zoeken naar dingen achter de dingen, heel bescheiden en eenvoudig gezegd: het zoeken naar het raadsel van het leven. Waar waarschijnlijk ieder mens op zijn manaier naar zoekt. En het raadsel van het leven bestaat niet.


7.  22 oktober 1941:

Wanneer dit werkelijk tot een vaste levensbeschouwing wordt: wat is één enkel leven waard, terwijl ze toch ieder ogenlik bij duizdenden sterven, dan pas is de vernietiging volkomen.


8.  30 november 1941:

En het zware en het lichte, het moet toch alles geaccepteerd worden, als zijnde de verschillende kanten van m’n wezen


9.  19 december 1941:

Soms lopen er van die prozazinnen in me, rechtop en bijna volwassen, maar waar ze naar toe wandelen, mag de hemel weten.


10.  19 december 1941:

De genade moet bij haar schaarse komsten een welvoorbereide techniek aantreffen.


11.  22 december 1941:

Laat de nacht de nacht en de dag de dag zijn en behandel de ene niet onrechtvaardig door de goede herinnering aan de ander en laat ieder moment van een vriendschap zich ontplooien in z’n eigen waard, niet vergeleken, gekleineerd en geremd in z’n ontwikkeling door de herinnering aan een ander moment.


12.  23 december 1941:

Bestendig, gestadig, geduldig.


13.  23 december 1941:

Waar houdt de tolerantie op en begint de karakterloosheid?


14.  29 december 1941:

Eenvoud, die alleen maar oppervlakkigheid is en eenvoud, verworven door alle gecompliceerdheden heen.
Het is heus niet zo eenvoudig met de eenvoud.


15.  14 januari 1942:

Ik heb zogezegd de moed om fouten te maken en behoud daar toch m’n zelfvertrouwen bij.


16.  27 februari 1942:

Ik zal door vele landen reizen en de gezichten der mensen zal ik als even zovele landschappen bereizen. Vanuit alle hoeken der wereld, waar ik zijn zal, zal ik iets te zeggen hebben tegen de mensen, op mijn eigen bescheiden wijze, maar ik hèb iets te zeggen op mijn eigen wijze.


17.  8 maart 1942:

Trouw, werkelijk trouw aan zichzelf en aan de waarden, die men hoogschat en de moed hebben zich ter wille van die trouw onbemind te maken bij anderen.


18.  8 maart 1942:

En dan luisteren, overal luisteren, tot op de grond der dingen luisteren


19.  28 maart 1942:

Men kan niet relatief genoeg zijn in datgene, wat men eist van anderen en niet absoluut genoeg inde eisen, die men aan zichzelf stelt.


20.  28 maart 1942:

Dit verdriet moet je in jezelf alle ruimte en onderdak verschaffen, die het toekomt en op die manier zal het verdriet in de wereld misschien verminderen, als iedereen draagt, eerlijk en loyaal en volwassen draagt wat hem wordt opgelegd, Maar als je het verdriet niet het eerlijke onderdak verleent, maar de meeste ruimte openstelt voor haat en wraakgedachten, waaruit weer nieuw verdriet voor anderen geboren zal worden, ja dan neemt het verdriet nooit een einde in deze wereld en zal zich steeds vermeerderen.


21.  29 maart 1942:

Men moet ondanks de vele mensen, de vele vragen, de veelzijdige studie, altijd een grote stilte met zich meedragen, waarin men zich steeds terugtrekken kan, ook temidden van het grootste gewoel en midden in het intensiefste gesprek.


22.  1 april 1942:

En zeer, zeer bescheiden zijn …. En steeds eenvoudiger worden. … Niet alleen voor je zelf, in je stille en beste momenten die eenvoud en wijdte in je voelen, maar ook in je dagelijkse leven, geen sensaties om je heen uitstrooien, niet interessant willen zijn.


23.  24 april 1942:

De wereld is toch zeker voor ieder mens afzonderlijk wel eens vergaan en toch bestaat ze nog steeds.


24.  30 april 1942:

Nooit resigneren, nooit vluchten, alles verwerken, dan maar lijden, dat is ook niet erg, maar nooit, nooit resignatie.


25.  18 mei 1942:

Die innerlijke geconcentreerdheid richt hoge muren om mij heen op, waarin ik mezelf weer terugvind, me uit alle verstrooiingen weer bijeenraap tot één geheel.


26.  24 mei 1942:

En dit hoort geloof ik ook bij het bewustzijnsproces: z’n toestanden onderkennen en blijven overzien en begrijpen en relativeren en niet te absoluut nemen.


27.  29 mei 1942:

Aan deze wereld, die zo vol dissonanten is, zou men niet de kleinste dissonant mogen toevoegen.


28.  29 mei 1942:

Een slordig bureau vol boeken en papieren, dat van mij alleen is, zal ik altijd weer verkiezen boven het ideaalste en harmonischte huwelijksbed.


29.  2 juni 1942:

Het zal in latere jaren onze trots en onze overwinning zijn, dat iedere vernietigende slag, die men ons heeft willen toebrengen, in zijn tegendeel is omgeslagen en onze kracht en onze ontwikkeling slechts bevorderd heeft.


30.  3 juni 1942:

Maar ik weet, dat het leven altijd bestaan zal uit opstaan en slapen gaan en enige maaltijden per dat en dagelijkse plichten en daartussendoor moet men zien klaar te komen met de grote dingen, waarvan men meent dat het om gaat.


31.  5 juni 1942:

De woorden moeten eigenlijk het zwijgen accentueren. … Het zal dan gaan om de juiste verhouding van woorden en woordeloosheid, een woordeloosheid, waarin meer gebeurt, dan in alle woorden, die men bij elkaar vinden kan.


32.  10 juni 1942:

Soms is het me of er in me een grote werkplaats is, waar hard gewerkt wordt, gehamerd en god-weet-wat.

En soms is het me of ik van binnen van graniet ben, een stuk rots en er beuken onophoudelijk sterke waterstromen tegen die rots en hollen haar uit. Een granieten grot, die steeds meer uitgehold wordt en waar contouren in gebeiteld worden en vormen. En misschien staan de vormen op een goede dag kant en klaar met scherp omlijnde omtrekken en hoef ik alleen maar na te tekenen, wat ik in me vind?


33.  10 juni 1942:

En het hoort bij de cultuur, bij de vorming of hoe je het noemen wilt, dat je geen woorden, aan jou gericht, in de ruimte laat verwaaien.
Daar waar het zin heeft en waar je het nodig vindt, moet je op het geringste appél antwoorden.
Ik denk, dat er vele onbeantwoorde en hulpeloze vragen door het luchtruim zweven, tussen de mensen heen en weer en wanneer iedereen op zijn eigen wijze en naar eigen vermogen beginnen zou die vragen uit hun zoek en hulpeloosheid te verlossen, waarvoor hij een antwoord, een onderdak heeft, dan zouden er niet zo vreselijk veel dakloze vragen zijn.


34.  10 juni 1942:

Wanneer die inzichten, die ik me achter m’n bureau, in omgang met de edelster geesten, verover, niet doordringen tot in de kleinste dingen van het dagelijkse leven, wanneer niet iets van het grote besef over menselijke waarden … doordringt, dan heeft dat ‘geestelijke leven’ … geen zin.


35.  11 juni 1942:

Men hoeft zijn onrust en zijn treurigheid niet te verstoppen, men moet ze dragen en verdragen, maar men moet zich er niet zo geheel aan overgeven, alsof er niets anders op de wereld meer bestaat.


36.  11 juni 1942:

En zo moet het toch zijn? Dat men z’n eigen somberheid, treurigheid of wat ook niet wreekt op anderen door onvriendelijkheid? Wanneer wij lijden, hoeven we anderen toch niet mee te laten lijden? Wanneer op dit punt eens de opvoeding der mensheid ter hand genomen werd.


37.  17 juni 1942:

Wanneer men de kracht voor de kleine dingen heeft, heeft men ze ook voor de grote.


38.  21 juni 1942:

Al blijft ons één nauwe straat, waardoor we mogen gaan, boven die straat staat toch de héle hemel.


39.  2 oktober 1942:

Vruchten en bloemen dragen op elke plek grond waar men geplant is, zou dat niet de bedoeling zijn? En moeten wij er niet aan meehelpen deze bedoeling te verwezenlijken?


40.  13 oktober 1942:

Men zou een pleister op vele wonden willen zijn.

Ontwerp en realisatie website: Sitestorm